Fok Blog

Fok is een eigenzinnige roman over een jonge vrouw die de oceaan overzeilt en anders naar haar verleden leert kijken.

donderdag 28 augustus 2014

Ankerwacht via de telefoon



Mijn eerste interview. De journaliste vraagt: waarom woonden jullie eigenlijk op een schip?
Ik ben even stil. Waarom? Da's toch logisch. Of niet?
's Avonds op de bank schakel ik via de familie-groepsapp mijn ouders en broer in. Waarom woonden wij vroeger in godsnaam op een tjalk op de Waddenzee?

Was weer wat anders dan paard en wagen, schrijft broer.
We konden geen goed huis vinden, schrijft moeder.
Hallo, mag het iets romantischer, vraag ik.
Omdat het avontuurlijk en vrij voelde, zegt moeder.
Dat lijkt erop, schrijf ik.
Omdat het wad thuis is, maar dat het nogal lastig is om een huis op het wad te bouwen, zegt broer.
Ah, raak, vinden we allemaal.

Als we een huis konden bouwen in de slik, hadden we dat gedaan.

Mij is het wel gelukt, schrijft mijn vader. Hij zit voor zijn de boswachterskeet op de punt van de Boschplaat van Terschelling. Zo goed als in het wad. Hij stuurt een filmpje. Een zwart beeld met af en toe de flits van de vuurtoren van Ameland. En dan een foto van een bizar heldere sterrenhemel. Hierom, schrijft hij.

Wij woonden op het wad om de donkere nachten, de vuurtorens aan de horizon en de sterren die je niet tellen kon. En om het geluid van het water dat langzaam opkomt, voegt moeders toe.

Wij woonden op een schip, maar eigenlijk woonden we in een landschap. Wij woonden in het wad. Ik kijk nog even naar de sterrenhemel op mijn Samsungscherm. Even ben ik weer aan boord. Alles schommelt en ruikt naar slik en wier.

En nu ga ik een eitje bakken, zegt mijn vader. Samen, achter de telefoon, houdt de hele familie ankerwacht, net als vroeger.


Fragment uit Fok:

"We zwijgen. De motor dreunt gestaag door. De nacht lost langzaam op in de dag. Ik ruik gebakken eieren. Opeens zie ik het donkere roefje van De Hoop voor me, waarin ik altijd met mijn vader ankerwacht hield, af en toe liepen we naar het voordek om met een zaklamp te checken of het anker nog hield. Met de kragen omhoog tegen de kou. Maar dat anker kon me niet zoveel schelen, het ging mij voornamelijk om de eieren. Die bakte mijn vader op het tweepitsfornuisje, met een kapotte dooier en gesmolten kaas. Die aten we zwijgend op, terwijl de rest lag te slapen, alleen pap en ik en de nacht. Als de petroleumlamp aan het plafond stopte met schommelen was onze wacht voorbij. Dan zaten we aan de grond en konden we niet meer losslaan. 
Zo zit ik hier nu ook met Simon. Alleen wij, het water, de komende ochtend, de zwermen kokmeeuwen rondom het vissersbootje dat zijn netten optrekt en de geur van gebakken eieren."




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen